Categorie archief: Dossiers

Voorbeeldvragenlijsten aanvragen voor werkingssubsidies KIOSK online!

Vanaf 15 september 2017 kunnen werkingssubsidies aangevraagd worden in KIOSK.

OCE stelt vast dat deze voorbeeld vragenlijsten nog niet volledig verspreid zijn onder de hele sector. Gezien de vragenlijsten vanaf 15 september definitief zijn,

  1. roepen wij op om VOOR 31 augustus bemerkingen, feedback en opbouwende kritiek betreffende fundamentele bemerkingen over de hoofdvragen van de indienapplicatie door te sturen naar info@overlegcultureelerfgoed.be. OCE zal deze feedback door communiceren aan de administratie. Onze excuses voor de laattijdigheid van dit bericht.
  2. vragen wij om opmerkingen betreffende FAQ’s, interpretatie onduidelijkheden en opmerkingen betreffende de eerste twee links (de vragenlijsten) hieronder door te geven tegen 8 september.

Ter informatie vindt u hieronder voorbeelddocumenten met de invulvelden:

Informatiesessie aanvragen werkingssubsidies 2019-2023…

Op dinsdag 27 juni 2017 organiseerde de afdeling Cultureel Erfgoed (Dept. CJM) een informatiesessie voor cultureel-erfgoedorganisaties die werkingssubsidies willen aanvragen voor de periode 2019-2023. Specifiek ging het over de cultureelerfgoedinstellingen; regionaal en landelijk ingedeelde musea, culturele archiefinstellingen en erfgoedbibliotheken; ICE-organisatie en de cultureel-erfgoedorganisaties die een dienstverlenende rol op landelijk niveau willen opnemen. Deze sessie was bedoeld voor al wie in december 2017 of januari 2018 werkingssubsidies wil aanvragen voor de periode 2019-2023.

Lees verder

De uitvoeringsbesluiten van het nieuwe CED zijn er …

Op 20 juni 2017 keurde de Vlaamse Regering het besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het Cultureel-erfgoeddecreet van 24 februari 2017 definitief goed.

Daarin worden de voorwaarden nog preciezer omschreven, procedures verfijnd, systemen van evaluatie en controle ingebouwd.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State op 14 juni 2017 werden nog een aantal technische aanpassingen doorgevoerd in de tekst.

… maar is dit wel goed nieuws?

Op 31 mei werd OCE uitgenodigd voor een gesprek met de Administratie en het kabinet betreffende de uitvoeringsbesluiten. Voor 31 mei vonden er gesprekken plaatsen tussen elke subsector en administratie en kabinet.

OCE focuste zich op 7 deelaspecten van de uitvoeringsbesluiten van het nieuwe Cultureel-Erfgoeddecreet: depotproblematiek, de problematiek rond digitalisering, beschikbare budgetten, de relatie tussen zakelijk en inhoudelijk bestuur, de relatie met aangrenzende beleidsdomeinen, beoordeling en visitaties en de vraag naar trajectevaluatie. Andere pijnpunten werden in eerdere gesprekken door de subsectoren al behandeld, zoals je kan lezen in eerdere nieuwsberichten van OCE.

OCE voert actie voor beloofde financiële inhaaloperatie op infomoment 27 juni 2017

Voorzitter van OCE Jan De Maeyer nam na de informatiesessie aanvragen werkingssubsidies het woord als ‘belleman’ van dienst. OCE vraagt als vertegenwoordiger van de gehele sector tijdens het sectormoment aandacht voor het nijpende financiële tekort in de culturele erfgoedsector.

OCE roept beleidsmedewerkers en creatieve geesten uit de sector op om mee te werken aan acties die onze roep om meer middelen kracht kunnen bij zetten. Aarzel niet en sluit u aan bij onze werkgroep. Ideeën voor acties zijn steeds welkom en worden verzameld via het e-mailadres info@overlegcultureelerfgoed.be.

De Visienota Cultureel Erfgoed – hoorzitting

Op donderdag 20 april 2017 werden de SARC-sectorraad Kunsten en Erfgoed (vertegenwoordigd door Jorijn Neyrinck), de VVSG (vertegenwoordigd door Hilde Plas) en de belangenbehartiger OCE (vertegenwoordigd door Jan De Maeyer) uitgenodigd door de Commissie Cultuur om hun standpunten betreffende de visienota Cultureel Erfgoed te komen toelichten. Het is de eerste keer dat er een strategische visienota in een cultureel-erfgoeddecreet wordt ingeschreven.

De visienota bundelt de strategische visie van minister Sven Gatz en de beleidsaccenten die hij aan de hand van het decreet wil leggen. Daarin staan vier krachtlijnen centraal: het versterken van collecties in Vlaanderen, het verbinden van materieel en immaterieel erfgoed, meer samenwerking en dus minder versnippering binnen de cultureel-erfgoedsector en tot slot een brede participatie en diversiteit. De minister wil daarnaast inzetten op een dynamisch cultureel-erfgoedbeleid aan de hand van specifieke projectsubsidies.

OCE nam de kans om op deze hoorzitting te spreken. Als spreekbuis voor de hele sector, verzamelde zij van 7 subsectoren informatie. Deze informatie vindt u hier:

Bezorgdheden van SARC

Als eerste spreker nam Jorijn Neyrinck van de SARC het woord. De visienota is bij de SARC-sectorraad positief ontvangen, hoewel ze wezen op het belang van het scherp stellen van de tekst. De sectorraad heeft daarbij vier grote bezorgdheden: omtrent de sectorale organisatie, de cultuurbrede visie, het complementair beleid en de slaagkans van het cultureel-erfgoeddecreet.

Betreft de sectorale organisatie bemerkte de SARC dat de ambitie om een performantere en minder versnipperde cultureel-erfgoedsector te verkrijgen niet echt in de visienota naar voren komt. Ook het belang van het landelijke steunpunt wordt nog te weinig verduidelijkt, net als de reorganisatie van de provinciale rollen, de middelen en de timing van het depotbeleid.

Ook stelde SARC dat de plaats van erfgoed in de cultuurbrede visie erg onduidelijk is. Vooral het digitaliseringsbeleid, waarvoor hoge verwachtingen van innovatie op de sector worden gelegd, werd weinig vernoemd in de visienota en dit schept onduidelijkheid over de praktische uitwerking ervan. Daarnaast lijkt eveneens de toekomst voor de sectorale steunpunten onbeslist.

Een derde bezorgdheid van SARC is dat de visienota weinig ankerpunten aanreikt om het complementaire beleid dat de minister voor ogen heeft ook daadwerkelijk in de praktijk om te zetten. Er is onder meer extra aandacht nodig voor de samenwerking met het Brussels Gewest en er worden te weinig tools aangereikt voor de samenwerking met andere beleidsdomeinen. Ook het internationale luik kwam in de visienota te weinig aan bod en zou beter uitgewerkt moeten worden.

Tot slot haalde Jorijn aan dat de slaagkans van het decreet afhankelijk zal zijn van bijkomende budgettaire ruimte, een punt waar ook VVSG en OCE het over eens zijn. Er is meer financiële ademruimte nodig om alle uitdagingen van het nieuwe decreet en de visienota het hoofd te kunnen bieden, maar vooraleer men daaraan kan beginnen, moet er een financiële inhaalbeweging gebeuren voor de basiswerking.

VVSG en de dienstverlenende rol van de lokale besturen

In het kader van het complementair beleid, werd ook de VVSG uitgenodigd op de hoorzitting. Hilde Plas gaf de meerwaarde van de visienota aan door te benadrukken dat het om een inspanningsverbintenis gaat naar de besturen toe, de instellingen en organisaties, de projecten en de huidige (en toekomstige-) legislatuur. De VVSG onderschrijft de hoofddoelstelling en de inhoudelijke uitdagingen die de visienota voorop stelt, maar heeft net als SARC enkele bezorgdheden.

De eerste daarvan betreft de scheiding van collectiegerichte functies en dienstverlenende rollen. De VVSG wil eerder een vermenging van functies en rollen dan een scheiding. Deze vermenging zou bovendien aansluiten op het complementair beleid en zou ook het lokale belang van dat beleid onderstrepen. De visienota spreekt over een “landelijke dienstverlenende rol” maar heeft daarbij te weinig oog voor het regionale niveau.

Niet alleen de afstemming van het beleid tussen het Vlaamse en het lokale niveau is een bezorgdheid van VVSG, ook de transversale samenwerking werd door Hilde aangehaald als werkpunt. Als een transversaal beleid geambieerd wordt, dan moeten er meer concrete hefbomen komen voor de samenwerking met andere beleidsdomeinen.

Hoewel de visienota een goede verbinding is tussen het regionale niveau en het internationale niveau, blijft er weinig aandacht voor niet-gesubsidieerde besturen. Zij worden niet erkend in de visienota, maar hebben wel hun eigen erfgoedwerking. De nadruk ligt in de visienota vooral op de regionale dienstverlenende rol van convenanten.

Het OCE reageert sceptisch

Als derde spreker benadrukte Jan De Maeyer het standpunt van belangenbehartiger OCE. Hij stelde dat de visienota enkele nobele doelen heeft, maar daarnaast zijn er ook heel wat aandachtspunten en mogelijke gemiste kansen waar OCE graag op zou wijzen. OCE spreekt daarom eerder van een ‘voortgangsnota’ dan van een ‘strategische visienota’

De eerste daarvan, die reeds bij SARC aangehaald werd, is de blijvende onduidelijkheid over de rol van de bovenbouw (FARO) en de afslanking van de provincies. Vooral wat betreft de bovenbouw, wees Jan op de noodzaak aan know how die niet enkel in grote musea aanwezig is. Bovendien is ook de visie op het complementair beleid weinig duidelijk, net als het statuut van de visienota en de visieontwikkeling op sectorniveau.

In de sector zelf is er veel scepticisme over de beloftes voor een uitbreiding van de financiële middelen. Zonder extra middelen is de nota echter onuitvoerbaar. Net als SARC, wees Jan hier op het gebrek aan financiële ruimte voor de ambities van experiment en innovatie die het nieuwe decreet en de bijbehorende visienota voorop stellen. Bovendien moet er meer transparantie komen naar de instellingen toe over het toekennen van middelen en subsidies. Er wordt van de sector verwacht dat ze zullen zoeken naar aanvullende financiering, onder meer via crowdfunding, maar deze verwachting is echter erg onrealistisch. Hoewel crowdfunding een zekere betrokkenheid en participatie van het publiek kan teweegbrengen, is het echter erg belangrijk om niet alle beslissingsmacht bij dat publiek te leggen. De participatie van het publiek omtrent het bijhouden of vernietigen van bepaalde collecties staat namelijk haaks op de verwetenschappelijking en de professionalisering waar de sector al jaren mee bezig is. Wat zal er namelijk gebeuren met erfgoed waar weinig (financiële) aandacht voor is?

Men moet opletten dat participatie geen nieuw dogma wordt. Bezoekersaantallen als criterium hebben bijvoorbeeld weinig tot niets te maken met participatie. Bovendien maakt de tijd van fysieke bezoekers stilaan steeds meer plaats voor het digitale tijdperk met virtuele bezoekers. Net als SARC benadrukte OCE hier dat het digitaliseringsbeleid echter voor erg veel onduidelijkheid zorgt (net als het depotbeleid).

Op vlak van complementair beleid en de samenwerking tussen beleidsdomeinen, onderstreepte Jan De Maeyer de zwakke positie van dienstverlenende en collectiebeherende organisatie die geen lokaal bestuur als inrichtende macht hebben. Bovendien is OCE het eens met de VVSG dat er te weinig aandacht werd geschonken aan de sterke lokale verankering van dit complementair beleid en dat de minister weinig verduidelijkt over de samenwerking binnen de erfgoedsector en met de Federale Wetenschappelijke Instellingen. Daarbij lijkt het momenteel alsof er zich een volledig parallelle structuur ontwikkelt voor de archieven op vlak van digitaal archiefbeheer, wat weinig efficiënt is, ook op financieel vlak.

Het OCE stond ook stil bij de visie over immaterieel erfgoed te herbekijken. Hoewel er hoop is op een krachtige en vernieuwende visie op de toekomstige ICE-werking, vertrekt de visienota nog sterk vanuit bestaande netwerken en instrumenten. Bovendien dreigen immateriële collecties van culturele archieven uit het oog te verliezen als zij geen ruimte krijgen om hierover een eigen werking te ontwikkelen die kan aansluiten op de ICE-werking.

Conclusie

Tijdens de hoorzitting kwam vooral naar voren dat er nog meer verduidelijking nodig is vooraleer men kan komen tot een krachtige en duurzame tekst. Men moet er daarbij over waken dat de (niet-gesubsidieerde) lokale besturen en de zwakke positie van enkele organisaties niet over het hoofd worden gezien. De instellingen moeten ondersteuning krijgen en de nieuwe regels geleidelijk kunnen implementeren, rekening houdend met de eigenheid van de instelling. Er zouden daarnaast meer middelen moeten worden vrijgemaakt om de ambities van de visienota en het decreet te kunnen waarmaken. Het OCE heeft ondertussen alvast een uitnodiging ontvangen voor een bijkomend gesprek op het kabinet. Wordt dus zeker vervolgd.

Verslag geschreven door Shana Ludikhuyze.

Visies van OCE in samenspraak met de subsectoren voor de uitvoeringsbesluiten van het Cultureel-Erfgoeddecreet 2016

Op vraag van het kabinet van Cultuur en het Departement Kunsten & Erfgoed hebben de verschillende subsectoren en ook OCE nagedacht over een aantal insteken voor de toekomstige uitvoeringsbesluiten. Op basis van de reacties van de zeven deelsectoren waaruit Overleg Cultureel Erfgoed bestaat, zijn de volgende visies geformuleerd.

In wat volgt kan u vinden:

  1. Een preambule, voorafgaand aan
  2. De visie/bedenkingen/vragen van de verschillende subsectoren

1.    Preambule

– Enerzijds waarderen OCE en de verschillende subsectoren de uitnodiging om mee na te denken over criteria en uitvoeringsbesluiten, anderzijds willen we toch stellen dat het niet aan de sector is de criteria als dusdanig te bepalen. Dit komt het kabinet en het Departement toe. Wat volgt zijn dan ook insteken, voorstellen, suggesties waarover verdere dialoog kan worden ontwikkeld.

– De sector heeft nood aan meer flexibiliteit en autonomie binnen de criteria, daarom pleit OCE samen met de subsectoren voor een generieke benadering van de maatstaven. Criteria mogen niet worden verabsoluteerd. De sector pleit er voor dat de kwaliteit boven de kwantiteit moet komen bij de beoordeling.

– OCE pleit ook samen met de subsectoren voor zorgvuldig samengestelde beoordelingscommissies en deze moeten voldoende flexibel te werk kunnen gaan (wat verder ook nog aan bod komt).

– Samen met de subsectoren pleit OCE voor een subsectorale behandeling van de dossiers, dit in de lijn van de voorliggende nota’s. Daarbij kunnen de beoordelingscommissies zowel de subsectorale landelijke als regionaal ingedeelde organisaties beoordelen. (Wij pleiten in het geval van de regionaal collectiebeherende organisaties dat we voortaan de term ‘bovenlokaal’ hanteren, zie verder.)

– Samen met de subsectoren kiest OCE voor commissies die in meerderheid (overwicht) zijn samengesteld uit experten uit de betrokken subsector. In de geest van de conceptnota, het decreet en allicht ook de visienota van minister Gatz lijkt de geopperde gedachte om ook een aantal experten uit andere subsectoren toe te voegen interessant, maar deze dienen dan duidelijk in mindere mate te worden toegevoegd. Eventueel kunnen ook experten of representatieve personen uit het sociaal-cultureel werk, kunsten, welzijn en/of onderwijs worden aangezocht.

– De beoordelingscommissies die de rollen of ICE beoordelen, mogen in de ogen van de subsectoren en OCE niet geïsoleerd werken. Deze beoordelingscommissies moeten voldoende overleg plegen/afstemmen met de andere beoordelingscommissies, zeker in het geval van de collectiebeherende organisaties. Deze taak zou best worden opgenomen door de ACCE (adviescommissie) te meer daar de voorzitters van de verschillende BC’s in zetelen. In de commissie rollen en ICE moet een visie op de hele sector aanwezig zijn, bijvoorbeeld dienstverlening is immers transsectoraal.

– Als de pool van experten zou worden samengesteld via www.iedereenkanzetelen.be, dan pleiten we vanuit OCE en de subsectoren uitdrukkelijk voor voldoende deskundigheid: de kandidaten moeten beoordeeld worden op hun expertise en praktijkervaring. Tevens moeten zij visie bezitten en het volledige veld overzien. Het is evident dat ze daarenboven representatief/deskundig moeten zijn voor de subsector waartoe ze worden gerekend. De commissie ICE zou best internationaal worden aangevuld, eventueel via www.iedereenkanzetelen.be.

– Als er voor de beoordelingscommissies gaat worden gewerkt met www.iedereenkanzetelen.be, dan wil OCE dit ondersteunen door een oproep te doen naar bevoegde experten via haar achterban/de subsectoren.

– OCE vraagt samen met de subsectoren naar een heldere definitie van het begrip “aanvullende financiering”. Die verwerven is immers in de erfgoedsector niet gemakkelijk of evident. Voor sommige subsectoren is dit eenvoudiger dan voor andere. Het hanteren van iets als een percentage lijkt ons dan ook uit den boze. Het mag ook geen vestzak-broekzak operatie worden tussen actoren in de erfgoedsector. De publieke inbreng moet ook volledig worden verrekend. Instrumenten als indemniteitsregeling en fiscale aftrekbaarheid moeten mee kunnen worden ingezet. In dit kader stellen we de vraag of er trouwens geen tegenspraak kan ontstaan tussen aanvullende financiering en een participatieve aanpak.

– Hoger vraagt OCE samen met de collega’s uit de ‘regionale’ collectiebeherende organisaties naar een bezinning over het gebruik van de term ‘regionaal’. ‘Bovenlokaal’ lijkt ons correcter en helderder. Er is immers niet altijd een regionale afbakening, de werking kan bijvoorbeeld thematisch over heel Vlaanderen gaan, maar de organisatie bezit daarom nog geen landelijk profiel.

– OCE stelt zich samen met de subsectoren vragen bij het watervalsysteem. Als een organisatie een landelijke status ambieert, maar deze niet wordt toegekend, daalt deze organisatie dan automatisch naar het ‘regionale’ (lees bovenlokale) niveau? Of moet de hele procedure, weliswaar in een andere subcategorie, worden overgedaan? Of komen organisaties die niet in aanmerking komen voor een landelijk statuut, bijgevolg dan ook niet in aanmerking voor een regionaal statuut, gezien er geen volgende indiendatum is voorzien na eind 2017/begin 2018? Kunnen deze organisaties dan via de dynamische ruimte nog middelen verkrijgen voor landelijke en/of regionale werking?

– OCE en de subsectoren pleiten er voor het digitale te laten terugkomen bij elke functie. Bij de depotwerking moet samenwerking een aandachtspunt worden.

– Gesco en DAC-middelen moeten in de sector/subsector behouden blijven. De betrokken organisaties moeten een voldoende lange overgangsperiode krijgen om hun personeelskader aan te passen.

2.    Nota’s van de subsectoren

  1. Visie van de erfgoedcellen en stedelijke erfgoedcoördinatoren – Regionale rollen
  2. Visies van de LEOV’s en samenwerkingsverbanden – Landelijke dienstverlenende rollen
  3. Gezamenlijke visies landelijk en regionaal ingedeelde archieven
  4. Gezamenlijke visies landelijk en regionaal ingedeelde musea
  5. Visie van de erfgoedbibliotheken
  6. Visies vanuit Tapis Plein en het ICE-trekkersnetwerk

OCE formuleert kanttekeningen over het Cultureel-erfgoeddecreet 2017

Op 17 januari 2017 was het OCE één van de sprekers op de hoorzitting over het nieuwe erfgoeddecreet. De keuzes die de Vlaamse Regering voor een duurzame cultureel-erfgoedwerking maakten, zetten aan tot een wijziging van het Cultureel erfgoeddecreet van 2012. Hiertoe diende de Vlaamse Regering een ontwerp van decreet in bij het Vlaams Parlement. De leden van de commissie hielden hierover een hoorzitting met Jorijn Neyrinck, ondervoorzitter sectorraad Kunsten en Erfgoed van de Strategische Adviesraad Cultuur (SARC), met Jan De Maeyer, voorzitter OCE en met Hilde Plas, stafmedewerker Kunsten, Cultuur en Erfgoed van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.

OCE sloot zich aan bij de visie van SARC, mits enkele bedenkingen. Namens OCE werd waardering uitgedrukt over de gastvrijheid van het kabinet en het departement CJSM en over het werk dat gestoken is in de vernieuwende benadering van het nieuwe erfgoeddecreet sinds 2002. De geleverde inspanningen om tot een helder begrippenapparaat te komen worden enorm gewaardeerd. Vooral de inzet op collectiebeherende instellingen, met accenten op participatie, collectiewaardering en internationalisering en het creëren van een dynamische ruimte, wordt op prijs gesteld door OCE.

OCE stelde echter ook vragen bij het gebrek aan duidelijkere perspectieven voor verschillende aspecten die verbonden zijn met het erfgoeddecreet. Aspecten zoals de rol van de bovenbouw, digitalisering, depotwerking en de vrijwilligerswerking in de erfgoedsector zijn niet duidelijk gedefinieerd. Verder is OCE van mening dat de manier waarop het complementaire beleid tussen Vlaanderen en steden en gemeenten is opgevat voor een verschraling van het erfgoedveld zorgt. Zeker de regionale erfgoedwerking komt onder druk te staan. Dit is nadelig voor de kleinere spelers: het erfgoedlandschap is breder dan alleen de vandaag erkende en gesubsidieerde organisaties. Hier sluit het OCE zich volledig aan bij de bedenking van SARC. Het OCE is ook van mening dat het decreet enkel realiseerbaar is als elke organisatie toegang heeft tot financiële middelen en niet enkel de grote spelers. De vraag om organisaties die erfgoed niet als kerntaak hebben niet bij voorbaat uit te sluiten, keert niet enkel terug bij OCE, maar ook bij SARC. Er blijft een vaagheid tussen functies en rollen die instellingen kunnen opnemen, zonder zicht op helderheid. Het gekende pleidooi voor voldoende financiële middelen voor het erfgoeddecreet evenals voor transparantie betreffende een vooropgesteld budget, werd meermaals herhaald tijdens de hoorzitting door OCE en SARC.

Tot slot duidde OCE op de strakke timing van het decreet; om tot een duidelijk en transparant decreet te komen, is er meer tijd nodig. Deze bemerking kwam terug bij de drie vertegenwoordigers tijdens de hoorzitting.

We kijken uit naar donderdag 26 januari 2017, wanneer er gesprekken volgen tussen minister Sven Gatz en de commissie cultuur. Noteer alvast in je agenda. OCE verwijst u graag door naar de streaming van de commissie cultuur, waar u de volledige hoorzitting van 17 januari kan herbekijken. U vindt hier de presentatie van OCE.

Een stap dichter bij het nieuwe cultureel-erfgoeddecreet

Na het advies van de Raad van State, keurde de Vlaamse Regering op 2 december het ontwerp van het nieuwe cultureel-erfgoeddecreet goed. Het ontwerp van decreet kan nu ingediend worden in het Vlaams Parlement.

De teksten zijn beschikbaar op de website van Kunsten en Erfgoed. Op de site van de Vlaamse Regering vind je in de nota van Minister Sven Gatz het advies van de Raad van State.

 

OCE te gast op kabinet

Op 18 oktober was OCE te gast op het kabinet van cultuur voor de bespreking van de aanpassingen aan het voor ontwerp van het decreet. OCE kaartte vier punten aan:

  1. Het uitsluiten van organisaties die erfgoedwerking niet als kerntaak hebben.
    Het hek gaat dicht voor actoren die  erfgoedwerking niet als kerntaak hebben. Cofinanciering is het toverwoord om het erfgoed dat in andere beleidsdomeinen te vrijwaren. Helaas is daar geen aandacht voor erfgoedwerking omdat dát niet tot de kerntaak behoort. De openheid die het laatste decennium is gecreëerd dreigt weer verloren te gaan. OCE vraagt minstens steun om te komen tot een afstemming met de andere beleidsdomeinen. Omdat het voor het kabinet onduidelijk is wat hiervoor nodig zou zijn, wordt OCE gevraagd een voorstel uit te werken.
  1. Onduidelijkheid over depotwerking, digitalisering, vrijwilligerswerking en lokale werkingen.
    Tot nu toe had OCE nog geen antwoord op eerdere vragen over de toekomstige depotwerking, digitalisering en vrijwilligerswerking. Voor de beleidsplanning en onderlinge afstemmingen hebben de erfgoedorganisaties duidelijkere vooruitzichten nodig.
    De Vlaamse overheid neemt de rol van de provinciale depotwerking over, zowel de databanken als de consulentschappen. Voor de VGC blijft de depotwerking ingeschreven.
    Onlangs startte een haalbaarheidsonderzoek voor digitalisering. De resultaten hiervan zullen gekend zijn in april of mei. Indien nodig, wordt gewerkt met tussentijdse rapporten. OCE benadrukt dat de erfgoedsector hierin betrokken moet blijven en dat afstemming met de Vlaamse Coördinerende Archiefdienst nodig is.
    De lokale en bovenlokale belangen worden behandelt in het regiodecreet terwijl het zogenaamde regionale decreet focust op de persoonsgebonden materies van de provincies waartoe ook erfgoed behoort. Dit laatste staat volgend jaar op de politieke agenda van 2017. Het is de bedoeling de vele diverse regelingen/reglementen te analyseren en in de huidige provinciale reglementeringen de gemeenschappelijke noemers te zoeken.
  1. De beoordelingsprocedure
    Voor de werkingssubsidies blijft het systeem van beoordelingscommissie in voege. Het verhaalrecht zoals in het Kunstendecreet acht men niet meer haalbaar omwille van de werkdruk voor de organisaties en de administratie.
    Voor het beoordelen van projectaanvragen wordt binnen het departement cultuur een vergelijkende studie gemaakt. Andere afdelingen werken voor het toekennen van projectsubsidies met externen. OCE vindt het belangrijk dat experten die hierbij betrokken worden de sector wel kennen. Een duidelijk begrippenkader is alleszins essentieel.
  1. Krappe timing voor de erfgoedorganisaties.
    De procedures rond het gehele beslissingsproces maakt het onmogelijk om te schuiven met de timing. In de loop van het proces zijn al vertragingen opgetreden, bovendien is het moeilijk om in te schatten hoeveel aanvragen zullen binnenkomen. Het kabinet wil de dialoog aangaan, maar kan niet veel beloven.

Lieve hongerlijders: beluister de vraag om uitleg in de commissievergadering

Op 29 september 2016 vroeg Bart Caron minister Sven Gatz om uitleg over de bevraging die de administratie hield bij de landelijke erfgoedorganisaties met het oog op de dienstverlenende rol die men wenst op te nemen voor de volgende beleidsperiode. OCE hoorde graag dat de standpunten die we samen formuleerden over het nieuwe decreet al ter harte werden genomen.
Het videoverslag en het voorlopig schriftelijke verslag van de zitting vind je hier.

Mooi aansluitend daarop kregen we op 30 september het nieuws dat op 25 november een informatie- en consultatiedag zal plaatsvinden over het nieuwe decreet en de uitvoeringsbesluiten. Noteer alvast in je agenda.