Maandelijks archief: juni 2016

Vragen en bekommernissen van OCE over het nieuwe erfgoeddecreet

OCE dankt alle aanwezigen voor hun inbreng tijdens het open sectormoment van 10 juni.
De Raad van Bestuur stelde vast dat er na de verschillende gesprekken van het kabinet en de administratie op 8 juni met de deelsectoren én met de belangenbehartiger nog heel wat onduidelijkheden zijn over het nieuwe decreet dat binnenkort in het Vlaams Parlement voorkomt.

De voorzitter van OCE verstuurde volgend bericht  nog naar kabinet en administratie:

Geachte adviseurs
Beste An
Beste Stephanie
Geacht afdelingshoofd
Beste Marina

In opvolging van onze voorgaande contacten en de attente uitnodiging om een blijvende de dialoog aan te gaan, wil ik jullie namens de collega’s van de Raad van Bestuur van OCE, een aantal vragen en bekommernissen voorleggen. Ook al werden de constructieve gesprekken die de sector op 8 juni laatstleden met jullie mocht voeren zeer gewaardeerd, toch mag ik niet verhelen dat een aantal pertinente vragen blijven leven. De ongerustheid en onzekerheid over de toekomst blijft in de sector bestaan.

Volgende vragen wil ik voorleggen:

1. Er blijven vragen komen over de definitie en toewijzing of toeëigening van ‘rollen’. Er is nog grote onduidelijkheid over de regierol bij het bepalen of uittekenen van die mogelijke ‘rollen’. Om inflatie te vermijden, is het nodig dat een instantie het overzicht behoudt. Het is onduidelijk of administratie of FARO dit zullen opnemen.
OCE vraagt dat (1) een instantie deze rol toegewezen krijgt en (2) dat zij deze rol op een transparante manier uitoefent.

2. Als eigendom van de collectie(s) en het hebben van rechtspersoonlijkheid criteria worden om tot de basisinfrastructuur te kunnen behoren, wat dan met instellingen die onderdeel zijn van een lokaal bestuur? Moeten het werkelijk verzelfstandigde entiteiten zijn en in welke mate moet de Vlaamse overheid hier een rol in spelen?

3. De definitie van Collectie Vlaanderen is momenteel niet helder: moeten we de definitie ruim (alle collecties van publieke instellingen) of eng (collecties van publieke instellingen met het kwaliteitslabel) opvatten? Betreft het enkel materiële collecties en/of ook immateriële collecties?

4. Hoe sluit de voorgestelde timing (voor de collectiebeherende die gelinkt zijn aan een lokaal bestuur) aan op die van de beleids- en beheerscyclus van de lokale besturen?

5. Moeten collectiebeherende instellingen die een rol willen opnemen, deze nu van bij aanvang opnemen voor de hele sector, of is er een groeitraject mogelijk?

6. Hoe gaat men bepalen of een organisatie cultureel erfgoed als kerntaak heeft? Cfr. organisaties die deel uitmaken van een lokaal bestuur of een onderwijsinstelling. Het ontbreken van criteria is een factor van verwarring!

7. Als de dossiers voor de basisinfrastructuur en de nieuwe beleidsplannen klaar moeten zijn eind 2017 (november?) , moeten de betrokken organisaties eigenlijk zo snel als mogelijk weten welke criteria van toepassing zullen zijn. Hoe kunnen anders volgens de regels van de kunst (stakeholdersbevragingen enz.) de Beleidsplannen worden uitgewerkt. In feite zouden we nu de criteria moeten kennen…
De vraag stelt zich meer en meer of november 2017 wel haalbaar is en niet beter een later moment in 2018 wordt voorop gesteld?
Globaal genomen zouden we voor de verschillende ruimtes zo gauw als mogelijk over de in te vullen sjablonen of formulieren moeten kunnen beschikken. In de sector leeft echt wel de grote bekommernis dat alles met een te grote snelheid gaat moeten worden uitgedacht, genegotïeerd en ingediend wat in tegenstelling kan staan tot de beoogde duurzaamheid, wegens te overhaast!

8. Aansluitend bij 7 roepen de plannen van een basisinfrastructuur grote vragen en bedenkingen op. In de brede sector stelt zich de vraag of hieraan een behoefte bestaat en of daarvoor wel de nodige financiële middelen voorhanden zijn.

9. Hoe wordt de problematiek van de (vermindering van de) planlast aangepakt?

10. In de sector heerst grote verwarring en onduidelijkheid over de ‘dynamische ruimte’: de vraag leeft over welke 4 of 5 soorten van projecten er nu wel gaan zijn, welke de criteria en budgettaire ruimtes hiervoor zijn. Het gevoel heerst ook dat dit de versnippering in het veld nog zal toenemen of dat er een veld ontstaat waarin aan verschillende en mogelijk tegengestelde snelheden gaat worden gereden.
Meer duidelijkheid over timing en praktische zaken zoals welke modellen moeten we gebruiken, is een stakeholdersbevraging noodzakelijk, zijn er sjablonen beschikbaar, enz. …?

Met dank voor de aandacht en tijd die u hieraan wilt besteden,
Met een vriendelijke groet,

Jan De Maeyer