De Visienota Cultureel Erfgoed – hoorzitting

Op donderdag 20 april 2017 werden de SARC-sectorraad Kunsten en Erfgoed (vertegenwoordigd door Jorijn Neyrinck), de VVSG (vertegenwoordigd door Hilde Plas) en de belangenbehartiger OCE (vertegenwoordigd door Jan De Maeyer) uitgenodigd door de Commissie Cultuur om hun standpunten betreffende de visienota Cultureel Erfgoed te komen toelichten. Het is de eerste keer dat er een strategische visienota in een cultureel-erfgoeddecreet wordt ingeschreven.

De visienota bundelt de strategische visie van minister Sven Gatz en de beleidsaccenten die hij aan de hand van het decreet wil leggen. Daarin staan vier krachtlijnen centraal: het versterken van collecties in Vlaanderen, het verbinden van materieel en immaterieel erfgoed, meer samenwerking en dus minder versnippering binnen de cultureel-erfgoedsector en tot slot een brede participatie en diversiteit. De minister wil daarnaast inzetten op een dynamisch cultureel-erfgoedbeleid aan de hand van specifieke projectsubsidies.

OCE nam de kans om op deze hoorzitting te spreken. Als spreekbuis voor de hele sector, verzamelde zij van 7 subsectoren informatie. Deze informatie vindt u hier:

Bezorgdheden van SARC

Als eerste spreker nam Jorijn Neyrinck van de SARC het woord. De visienota is bij de SARC-sectorraad positief ontvangen, hoewel ze wezen op het belang van het scherp stellen van de tekst. De sectorraad heeft daarbij vier grote bezorgdheden: omtrent de sectorale organisatie, de cultuurbrede visie, het complementair beleid en de slaagkans van het cultureel-erfgoeddecreet.

Betreft de sectorale organisatie bemerkte de SARC dat de ambitie om een performantere en minder versnipperde cultureel-erfgoedsector te verkrijgen niet echt in de visienota naar voren komt. Ook het belang van het landelijke steunpunt wordt nog te weinig verduidelijkt, net als de reorganisatie van de provinciale rollen, de middelen en de timing van het depotbeleid.

Ook stelde SARC dat de plaats van erfgoed in de cultuurbrede visie erg onduidelijk is. Vooral het digitaliseringsbeleid, waarvoor hoge verwachtingen van innovatie op de sector worden gelegd, werd weinig vernoemd in de visienota en dit schept onduidelijkheid over de praktische uitwerking ervan. Daarnaast lijkt eveneens de toekomst voor de sectorale steunpunten onbeslist.

Een derde bezorgdheid van SARC is dat de visienota weinig ankerpunten aanreikt om het complementaire beleid dat de minister voor ogen heeft ook daadwerkelijk in de praktijk om te zetten. Er is onder meer extra aandacht nodig voor de samenwerking met het Brussels Gewest en er worden te weinig tools aangereikt voor de samenwerking met andere beleidsdomeinen. Ook het internationale luik kwam in de visienota te weinig aan bod en zou beter uitgewerkt moeten worden.

Tot slot haalde Jorijn aan dat de slaagkans van het decreet afhankelijk zal zijn van bijkomende budgettaire ruimte, een punt waar ook VVSG en OCE het over eens zijn. Er is meer financiële ademruimte nodig om alle uitdagingen van het nieuwe decreet en de visienota het hoofd te kunnen bieden, maar vooraleer men daaraan kan beginnen, moet er een financiële inhaalbeweging gebeuren voor de basiswerking.

VVSG en de dienstverlenende rol van de lokale besturen

In het kader van het complementair beleid, werd ook de VVSG uitgenodigd op de hoorzitting. Hilde Plas gaf de meerwaarde van de visienota aan door te benadrukken dat het om een inspanningsverbintenis gaat naar de besturen toe, de instellingen en organisaties, de projecten en de huidige (en toekomstige-) legislatuur. De VVSG onderschrijft de hoofddoelstelling en de inhoudelijke uitdagingen die de visienota voorop stelt, maar heeft net als SARC enkele bezorgdheden.

De eerste daarvan betreft de scheiding van collectiegerichte functies en dienstverlenende rollen. De VVSG wil eerder een vermenging van functies en rollen dan een scheiding. Deze vermenging zou bovendien aansluiten op het complementair beleid en zou ook het lokale belang van dat beleid onderstrepen. De visienota spreekt over een “landelijke dienstverlenende rol” maar heeft daarbij te weinig oog voor het regionale niveau.

Niet alleen de afstemming van het beleid tussen het Vlaamse en het lokale niveau is een bezorgdheid van VVSG, ook de transversale samenwerking werd door Hilde aangehaald als werkpunt. Als een transversaal beleid geambieerd wordt, dan moeten er meer concrete hefbomen komen voor de samenwerking met andere beleidsdomeinen.

Hoewel de visienota een goede verbinding is tussen het regionale niveau en het internationale niveau, blijft er weinig aandacht voor niet-gesubsidieerde besturen. Zij worden niet erkend in de visienota, maar hebben wel hun eigen erfgoedwerking. De nadruk ligt in de visienota vooral op de regionale dienstverlenende rol van convenanten.

Het OCE reageert sceptisch

Als derde spreker benadrukte Jan De Maeyer het standpunt van belangenbehartiger OCE. Hij stelde dat de visienota enkele nobele doelen heeft, maar daarnaast zijn er ook heel wat aandachtspunten en mogelijke gemiste kansen waar OCE graag op zou wijzen. OCE spreekt daarom eerder van een ‘voortgangsnota’ dan van een ‘strategische visienota’

De eerste daarvan, die reeds bij SARC aangehaald werd, is de blijvende onduidelijkheid over de rol van de bovenbouw (FARO) en de afslanking van de provincies. Vooral wat betreft de bovenbouw, wees Jan op de noodzaak aan know how die niet enkel in grote musea aanwezig is. Bovendien is ook de visie op het complementair beleid weinig duidelijk, net als het statuut van de visienota en de visieontwikkeling op sectorniveau.

In de sector zelf is er veel scepticisme over de beloftes voor een uitbreiding van de financiële middelen. Zonder extra middelen is de nota echter onuitvoerbaar. Net als SARC, wees Jan hier op het gebrek aan financiële ruimte voor de ambities van experiment en innovatie die het nieuwe decreet en de bijbehorende visienota voorop stellen. Bovendien moet er meer transparantie komen naar de instellingen toe over het toekennen van middelen en subsidies. Er wordt van de sector verwacht dat ze zullen zoeken naar aanvullende financiering, onder meer via crowdfunding, maar deze verwachting is echter erg onrealistisch. Hoewel crowdfunding een zekere betrokkenheid en participatie van het publiek kan teweegbrengen, is het echter erg belangrijk om niet alle beslissingsmacht bij dat publiek te leggen. De participatie van het publiek omtrent het bijhouden of vernietigen van bepaalde collecties staat namelijk haaks op de verwetenschappelijking en de professionalisering waar de sector al jaren mee bezig is. Wat zal er namelijk gebeuren met erfgoed waar weinig (financiële) aandacht voor is?

Men moet opletten dat participatie geen nieuw dogma wordt. Bezoekersaantallen als criterium hebben bijvoorbeeld weinig tot niets te maken met participatie. Bovendien maakt de tijd van fysieke bezoekers stilaan steeds meer plaats voor het digitale tijdperk met virtuele bezoekers. Net als SARC benadrukte OCE hier dat het digitaliseringsbeleid echter voor erg veel onduidelijkheid zorgt (net als het depotbeleid).

Op vlak van complementair beleid en de samenwerking tussen beleidsdomeinen, onderstreepte Jan De Maeyer de zwakke positie van dienstverlenende en collectiebeherende organisatie die geen lokaal bestuur als inrichtende macht hebben. Bovendien is OCE het eens met de VVSG dat er te weinig aandacht werd geschonken aan de sterke lokale verankering van dit complementair beleid en dat de minister weinig verduidelijkt over de samenwerking binnen de erfgoedsector en met de Federale Wetenschappelijke Instellingen. Daarbij lijkt het momenteel alsof er zich een volledig parallelle structuur ontwikkelt voor de archieven op vlak van digitaal archiefbeheer, wat weinig efficiënt is, ook op financieel vlak.

Het OCE stond ook stil bij de visie over immaterieel erfgoed te herbekijken. Hoewel er hoop is op een krachtige en vernieuwende visie op de toekomstige ICE-werking, vertrekt de visienota nog sterk vanuit bestaande netwerken en instrumenten. Bovendien dreigen immateriële collecties van culturele archieven uit het oog te verliezen als zij geen ruimte krijgen om hierover een eigen werking te ontwikkelen die kan aansluiten op de ICE-werking.

Conclusie

Tijdens de hoorzitting kwam vooral naar voren dat er nog meer verduidelijking nodig is vooraleer men kan komen tot een krachtige en duurzame tekst. Men moet er daarbij over waken dat de (niet-gesubsidieerde) lokale besturen en de zwakke positie van enkele organisaties niet over het hoofd worden gezien. De instellingen moeten ondersteuning krijgen en de nieuwe regels geleidelijk kunnen implementeren, rekening houdend met de eigenheid van de instelling. Er zouden daarnaast meer middelen moeten worden vrijgemaakt om de ambities van de visienota en het decreet te kunnen waarmaken. Het OCE heeft ondertussen alvast een uitnodiging ontvangen voor een bijkomend gesprek op het kabinet. Wordt dus zeker vervolgd.

Verslag geschreven door Shana Ludikhuyze.